«« terug
ATEX
De ATEX-richtlijn omschrijft technische vereisten voor een installatie in een potentieel explosieve atmosfeer dan wel een atmosfeer die explosief kan worden vanwege lokale of operationele condities. Ook stelt ATEX eisen voor een zo veilig mogelijke werkplek. De richtlijn is genoemd naar het Franse “ATmosphere EXplosible”.
Directe links:
Een explosieve atmosfeer is in de ATEX-richtlijn gedefinieerd als: “een mengsel van brandbare stof (in de vorm van gas, damp, mist of stof) met lucht onder atmosferische omstandigheden waarin - na ontsteking - de ontbranding zich verspreidt over het onverbrande mengsel”.
De ATEX-richtlijn is een Europese richtlijn (94/9/EC) die op 23/3/1994 door het Europese Parlement werd goedgekeurd. De Europese Unie verwacht van iedere lidstaat dat men deze Europese richtlijn omzet naar een nationale wet. De ATEX is bedoeld om te komen tot een totale harmonisering van Europese normen betreffende het gebruik van alle apparaten en beveiligingssystemen in een explosiegevaarlijke omgeving.
De ATEX-richtlijn is van toepassing voor gas-, damp- en nevelontploffingsgevaar en stofexplosies. Het gaat hier niet enkel om het voorkomen maar ook om het beperken van schadelijke gevolgen door een explosie.
Een stofexplosie is een plotselinge verbranding waarbij een drukopbouw plaatsvindt. Voor een explosie zijn twee dingen nodig. De juiste lucht/brandstofverhouding en een ontsteking in een gesloten ruimte. Als de plotselinge verbranding niet in een gesloten ruimte plaatsvindt, ontstaat een vuurbal of een steekvlam.
Stofexplosies zijn verraderlijk. Als ergens een explosie plaatsvindt dan dwarrelt het stof in de buurt op en explodeert vervolgens ook. Een dergelijke secundaire explosie kan uiteindelijk een gehele fabriek vernietigen.
De ATEX-richtlijn is opgebouwd uit twee richtlijnen. De eerste beschrijft hoe veilig apparatuur moet zijn (ATEX 95) en de tweede beschrijft eisen voor de veiligheid van de werknemer (ATEX 137).
ATEX en de laagspanningsrichtlijn
Producten voor gebruik in een potentieel explosieve atmosfeer zijn expliciet uitgesloten van de laagspanningsrichtlijn (73/23/EEG). Alle laagspanningsvereisten moeten afgedekt zijn door de ATEX-richtlijn. Onderdelen die bedoeld zijn voor het gebruik buiten de potentieel explosieve atmosfeer, maar die bijdragen aan het veilig functioneren van apparatuur en beveiligingssystemen moeten zowel aan de ATEX als aan de laagspanningsrichtlijn voldoen.
ATEX en de machinerichtlijn
De relatie tussen de ATEX en de machinerichtlijn (89/392/EEG) is anders. De ATEX-richtlijn is een specifieke richtlijn in de betekenis van de machinerichtlijn en bevat zeer specifieke en gedetailleerde eisen om het risico ten gevolge van een potentieel explosieve atmosfeer te voorkomen. De machinerichtlijn bevat enkel een algemene bepaling voor het explosierisico. Met betrekking tot de risico’s ten gevolge van een potentieel explosieve atmosfeer prevaleert de ATEX-richtlijn en moet deze aanvullend worden toegepast.
De ATEX-richtlijn omvat een verdeling in zones. De zonering geeft duidelijkheid over de waarschijnlijkheid van een optreden van een explosieve atmosfeer. Men onderscheidt de zones 0, 1 en 2 voor gassen en de zones 20, 21 en 22 voor stoffen.
Stoflagen geven doorgaans aanleiding tot het definiëren van een zonegebied. Dit heeft doorgaans veel consequenties. Derhalve is het beter om stoflagen te voorkomen. Dit kan door proces- of apparatuuraanpassingen en door omgevingen schoon te maken en schoon te houden.
Zone 20
Omgeving waarin tijdens normaal bedrijf een ontplofbaar stof/luchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is – meer dan 1000 uur per jaar.
Zone 21
Omgeving waarin tijdens normaal gebruik een ontplofbaar stof/luchtmengsel af en toe aanwezig kan zijn – tussen 10 en 1000 uur per jaar.
Zone 22
Omgeving waarin tijdens normaal bedrijf de aanwezigheid van een ontplofbaar stof/luchtmengsel niet waarschijnlijk is en wanneer dit toch gebeurt, de aanwezigheid zeer kortstondig is – minder dan 10 uur per jaar.
Document explosieveiligheid
De werkgever is verplicht om volgens artikel 4 van de Richtlijn 1999/92/EG een document explosieveiligheid op te stellen en bij te houden. Dit document moet ten minste de volgende informatie bevatten:
- Identificatie en beoordeling van de explosierisico’s
- Zonering van de arbeidsplaatsen
- Beschrijving van de installaties, processen en/of activiteiten
- Beschrijving van gebruikte stoffen en veiligheidstechnische parameters
- Maatregelen ter bescherming tegen ontploffingsgevaar
- Organisatorische maatregelen, veiligheidsinstructie werknemers
- Markering van de explosiegevaarlijke plaatsen
- Verantwoordelijke voor het opstellen en bijhouden van het document
Explosiegevaar: een praktijkvoorbeeld
Een goed voorbeeld hoe fout het kan gaan bij stofexplosies laat devolgende safety video van CSB zien: